DOOR STEIJN VAN SCHIE - FOTO'S: DANIEL COSTA, UC SANTA CRUZ - 14-02-2025 - Zoölogie

Een noordelijke zeeolifant (Mirounga angustirostris) bij de Año Nuevo Reserve, aan de kust bij Pescadero, Californië. Foto: Daniel Costa, US Santa Cruz.
Amerikaanse onderzoekers reconstrueren vispopulaties in de moeilijk te bestuderen mesopelagische zone en zien dat visaantallen elke drie tot vijf jaar sterk fluctueren.
Noordelijke zeeolifanten onthullen hoeveel vis er aanwezig is in de schemerzone of twilight zone , een moeilijk te bestuderen gebied op een diepte van 200 tot 1.000 meter van de open oceaan. Met dat gegeven schatten Amerikaanse onderzoekers vervolgens hoe vispopulatiegroottes de afgelopen 45 jaar fluctueerden (Science, 14 februari). Dat lukt doordat foerageersucces van de zeeolifanten sterk blijkt te correleren met de lokale luchtdruk, watertemperatuur en watercirculatie; parameters waarvan data van de afgelopen decennia voorhanden zijn. ‘Schattingen van vispopulaties in de schemerzone zijn momenteel op geen enkele andere manier meetbaar’, schrijven de biologen.
CASCADES
Het is van terrestrische systemen bekend dat variaties in beschikbare voedselbronnen cascades teweeg kunnen brengen die door het hele voedselweb resoneren, met soms grote fluctuaties in dierpopulaties. Voor mariene systemen zijn dergelijke relaties moeilijker te kwantificeren, en dat geldt in het bijzonder voor de mesopelagische zone. En dat terwijl deze schemerzone de meeste visbiomassa bevat en grofweg 60 procent van het aardoppervlak en 20 procent van het oceaanvolume beslaat. Daarom besluiten de biologen nu een predator te volgen die een enorm jachtgebied heeft in de schemerzone van de noordelijke Stille Oceaan: de noordelijke zeeolifant (Mirounga angustirostris). Ze volgen de dieren jaarlijks met dataloggers, leggen daarbij een totaal van 143.201 duiken vast in een gebied van 4,4 miljoen kubieke kilometer en meten de jaarlijkse variatie in lichaamsgewicht en prooiconsumptie. Vervolgens kwantificeren ze de relatie tussen prooiconsumptie en de verschillende oceanografische parameters.
MASSATOENAME
Er blijkt met name een sterke correlatie te zitten tussen massatoename van noordelijke zeeolifanten en de zogeheten Southern Oscillation Index – een maat voor luchtdrukverschillen langs de evenaar – twee jaar eerder. Met deze index schatten de biologen vervolgens de prooiaantallen van de zeeolifanten uit het verleden en tot twee jaar in de toekomst.

De Año Nuevo Reserve bij Pescadero aan de kust van California, waar de zeeolifanten jaarlijks terugkeren na een migratie van duizenden kilometer door de Noordelijke Stille Oceaan waar ze foerageren op (pijlinkt)vissen. Foto: Daniel Costa, UC Santa Cruz.
De biologen concluderen dat de hoeveelheid prooi in de mesopelagische zone waarin de zeeolifanten jagen erg klein was tussen 1984-1985, 1994-1996 en 2021, maar juist groot tussen 1975-1978, 2019-2020 en 2022-2024. Ze zien daarbij een patroon van snelle pieken en dalen die zich grofweg iedere drie tot vijf jaar herhalen. Daarmee lijken diepe, open oceaanecosystemen net als terrestrische systemen grote en frequente schommelingen te vertonen in populatiedynamiek die door de trofische niveaus doorwerken. Oftewel: populaties in deze relatief geïsoleerde ecosystemen lijken door de tijd heen niet stabieler te blijven dan populaties op land.